Persoonlijk verhaal 4 mei: “Traditie of leeft het echt nog?”

DELEN
Foto uit 2015

Assen – De plek van de Dodenherdenking in Assen is sinds dit jaar gewijzigd. De plechtigheid is verplaatst van het Stadsbroek naar de Brink. Het comité Dodenherdenking Assen wil “de herdenkingsplechtigheid meer bewaren voor de toekomst, ook voor de jongeren, en daarom meer zichtbaar maken in de stad”. Volgens een oud-bewoner (89 jaar) van de Prins Hendrikstraat komt de aanleiding om te herdenken zo wel heel ver weg te liggen.

Meneer was bevriend met de bekende familie de Ruiter, waarvan drie gezinsleden (vader en twee zonen) vlak voor de bevrijding zijn gefusilleerd aan de bosrand. Al jaren herdenkt meneer zijn vrienden en hun vader daar aan het Stadsbroek.

De officiële herdenkingsplechtigheid is nu verplaatst naar de Brink, maar meneer blijft een bloemetje leggen bij het monument aan het Stadsbroek. Een bezoek aan het graf van deze drie mensen hoort er ook bij. Rond 4 mei komen de herinneringen aan de oorlog weer sterk naar boven. Meneer vraagt zich af of men tegenwoordig herdenkt omdat het móet of dat men zich daadwerkelijk bewust is van de gruwelijkheden uit het verleden. Ook de Jodenvervolging heeft hij van dichtbij meegemaakt.

Rustig maar zichtbaar aangeslagen, af en toe nadenkend of een stilte en een blik in de verte … begint meneer te vertellen:

Vier mei is zo’n traditie geworden, hè ? Ik weet niet of het wel zo leeft in die mensen die daar aan meedoen. Is het een formaliteit of is het een werkelijk iets wat doordringt tot de mensen. In het begin had je dat heel sterk, die herdenking, bij het sportpark. Daar gingen altijd hele hordes mensen heen. Bij die bosrand was altijd de herdenking. Daar was altijd veel belangstelling. Je ging erheen omdat je wilde stilstaan bij de gruwelijkheden en omdat je de mensen kende. Dat is wat geweest, die oorlogstijd, een moeilijke periode hoor. Ik was twaalf toen de oorlog begon, een rare tijd.

Wij hebben het niet zo slecht gehad, mijn vader was slager en dan … ja … dan was er altijd wel iets te regelen met eten. Wat die man niet geregeld heeft met zijn werk en de ondergrondse … Dan kwamen ze altijd bij hem en vroegen of hij een deel van een beest kon leveren. Dat heeft hij veel gedaan. Hij sprak er nooit over, maar het was wel gevaarlijk werk. Mijn vader had geen eigen slagerij, maar hij werkte bij een slager, op een plek die ook aan de Duitsers leverde. Ze moesten leveren aan de Wehrmacht. Tussendoor sleepte hij altijd wat vee weg en dat bracht hij dan naar de ondergrondse.

Het vlees ging naar onder andere naar kamp Westerbork voor de bedrijfsleiding en de bewakers. Mijn vader bracht daar vlees heen, hij zag wat daar gebeurde en hij zei toen al: “Daar komt geen één van terug”. Als je je dat goed realiseert, is dat een afschuwelijke periode geweest. Massaal werden ze afgeslacht, het is toch ongelooflijk, hè ? Kinderen en volwassenen. Hele colonnes werden er heen gebracht.

Daar in die buurt waar ik woonde (Prins Hendrikstraat), daar had je die SD, De Sicherheitsdienst, die zaten daar. Het was dus heel vaak dat die colonnes daar langs gingen en ze dan zo vervoerd werden naar Westerbork. Er was een apart treinlijntje naar Westerbork. Wat daar gebeurd is allemaal … die massale afslachting van zo’n volk, dat is toch te zot voor woorden. Er werden treinladingen naar de gaskamers gebracht. Je stond er bij en je keek er naar. Je kon er niets mee, want dan was je ook de sigaar. Dat dat gebeurde in onze tijd, dat kon ik nooit klaar mee komen.

In die buurt bij ons, rond de Prins Hendrikstraat en de Rolderstraat, woonden heel veel Joden. Van die bedrijfslui met kleine zaakjes en zo. En opeens moesten die Joden een ster dragen. De één na de ander ging weg. Ik was een kwajongen, dus je speelde met allerlei jongens, ook met Jodenjongens. Afschuwelijk dat je de één na de ander zag verdwijnen. Het was een absurde tijd, zoals in die buurt waar wij woonden. Moet je je eens goed voorstellen, een massale afslachting van mensen. Gewoon vernietiging van een heel volk.

Er woonde bij ons in de flat een gezinnetje. Van die arme Joden, weet ik nog. Die hadden bij mijn moeder allerlei spullen gebracht om te bewaren voor later. Ze stonden ook op de nominatie om naar Westerbork gebracht te worden. Die mensen hebben ze ook allemaal opgepakt. Afschuwelijk. En je wist bij voorbaat al dat ze niet terug kwamen en dat de spullen niet weer bij hun terecht zouden komen.

Ik kan mij nog herinneren dat mijn moeder opeens de hele kamer vol had zitten met van die Duitse jochies. Van die Duitse militairen, van die jonge jongens. Mijn moeder gaf ze eten, ze had ze gewoon aan tafel zitten. Mijn kameraden zeiden weleens: “Die moeder van jou heeft een paar moffen in huis. Wat mankeert die moeder van jou toch ?”. Dat heb ik tegen haar gezegd en toen zei ze: “Daar hebben zij zich niet mee te bemoeien. Het moest mijn zoon maar eens wezen. Ik denk altijd aan jou in hun plaats. Als jou dat zou overkomen met een oorlog, zouden ze iets voor je doen of niet ?”

Dat was mijn moeder, behulpzaam en meelevend. Zelf dacht ik: “Mens, wat haal je in je hersens. Doe dat alsjeblieft niet weer”. Mijn moeder trok zich niets van de verhalen aan. Wat een rare tijd, hè, die oorlogstijd ? Mijn moeder zag het meer als : “Duitsers of geen Duitsers, het zijn jonge jongens. Zij konden er niets aan doen”.

Mijn vader gaf als slager heel veel vlees weg. De jongens bij mij in de klas zeiden: “Die vader van jou had altijd wel een stukje worst”.

Op een gegeven moment joegen ze hele colonnes door de straten. Allemaal mensen die opgepakt werden. Ze werden soms verhoord in de Prins Hendrikstraat en daarna werden ze in looppas naar de trein gebracht. Het was een enorme beroerde tijd. Je was zelf een opgroeiende knaap en je wist dat je helemaal niets doen kon. Dat was niet best…

Ergens afschuwelijk, die treinladingen naar Westerbork. Ze werden aangevoerd op het marktterrein in auto’s en dan moesten ze in looppas naar de trein die al klaar stond bij het station, om vervoerd te worden naar Westerbork. Ze liepen de dood tegemoet, in looppas. Honderden van die mannen …

Het monument aan het Stadsbroek, waar tot vorig jaar de herdenking was

De familie de Ruiter, dat was een verhaal apart, omdat zij een agent in huis hadden, een geheim agent. En toen hebben ze een paar van die jongens van de Ruiter doorgeschoten in de bosrand bij het zwembad in Assen. Het was maar een klein poosje voor de bevrijding. Beestachtig.

Eén van die zoon was van min of meer een speelkameraad van ons. Hij was misschien een jaar ouder. Hij was de oudste van de vriendenkring en dus altijd de pineut, omdat hij de verstandigste moest zijn. Maar toen hij naar Westerbork moest, keek je daar heel raar tegenaan. Het was zo’n bange jongen, die Henk de Ruiter. Toen hij gevangen werd genomen … hij was zo bang toen hij weg gevoerd werd …

Ze hadden zo’n vent, zo’n geheim agent, in huis. Daarom zijn die de Ruiters opgepakt. Iedereen probeerde een beetje te helpen, maar je liep een enorm risico. Achteraf gezien kende ik die peilwagen wel. Je kwam daar over het fabrieksterrein en daar stond op een bepaalde plek zo’n driewieler met een dekkleed erover. Zo’n bak van een driewieler, bedoelde ik. Er is niemand geweest die daar aandacht aan schonk. Dat ding dat stond daar, nou ja. Door die wagen wisten ze in welk vak ze moesten zitten. Zo hebben ze dat punt ook opgezocht.

Ik kan mij nog herinneren uit die tijd dat er in de straat allemaal mannen met honden waren. Ze gingen overal naar binnen, met heel veel mensen en honden.
Zoals ik mij herinner zijn twee andere zonen van de Ruiter niet opgepakt. Ze waren niet thuis, maar tewerkgesteld. Ten tijde van de overval kwamen ze net terug. Ze zijn opgevangen door tante Henk, Henka heette ze. Die woonde in de boerderij naast de fabriek en die wist overal van.

Zij heeft ze toen gewaarschuwd: “Niet naar huis gaan, dan ben je ook de klos”. En zo hebben ze die andere broers vrijgehouden. Die tante Henk was met een de Ruiter getrouwd. Ik had wel veel contact met die jongens. Vooral met de jongste, Henk. Die was maar een jaar ouder dan ik. Ik kwam daar veel thuis. Je was jong en het werkt niet zo diep door als dat je er nu over zit te denken. Ja, dat was een zooitje toen. Er zijn de wereld toen afgevoerd naar die vlakte daar bij het zwembad en die daar gefusilleerd zijn. Die werden gewoon daar heen gebracht en ze schoten ze kapot. Afschuwelijk is dat toch.

Dat dat gebeuren kon in die tijd … afschuwelijk. Ja, dat is wat geweest toen. Dat afvoeren, wegvoeren van al die mensen. En die moffen die riepen: “Jude, Jude, keine Jude mehr”. Dat zongen ze luidkeels. Vreselijk.

Van de bevrijding weet ik niet zo veel meer. Dat was vlot geregeld. Op een gegeven moment was je bevrijd. Zonder dat er veel gebeurde. De oorlog zelf maakte veel meer indruk. Maar zouden de mensen tegenwoordig nog wel weten wat er allemaal is gebeurd ? Het is een formaliteit geworden, een traditie. Wees je werkelijk eens bewust van deze gruwelijkheden … En dan maakt het verplaatsen van de locatie totaal geen verschil.

Herinneringen van een oud-bewoner van de Prins Hendrikstraat ten tijde van de oorlog. Het verhaal is persoonlijk aan mij verteld. Het verhaal is met toestemming geplaatst op onze website. Hiervoor hartelijk dank ! Laten we ons bewust blijven van het verleden en niet herdenken om, zoals meneer zei, de formaliteit, het verplicht even stil zijn. Zijn verhaal is een verhaal zoals van velen, die de oorlog hebben meegemaakt. Alleen zijn er steeds minder mensen die de verhalen kunnen vertellen. Des te dankbaarder zijn wij dat het mocht worden opgetekend, zodat de herinnering blijft en daardoor het bewustzijn hopelijk ook. Dodenherdenking 4 mei, geen formaliteit !

Foto’s: M. Babtist